Een oud dorp dijkdorp

In de naam van ons dorp "Zeerijp" ligt zijn oorsprong besloten. Zeerijp komt van het woord "zeereep" dat een strook zand in de zee betekent. Tegenwoordig zou men "zandbank" zeggen. De vroege aanwezigheid van veel zand in onze omgeving wordt bevestigd door de naam van het buurdorp 't Zandt. Aan de zuidzijde van de oorpronkelijke reep zand, gelegen in de monding van de rivier de Fivel, heeft landvorming het eerst plaats gehad. Er ging langzamerhand een situatie ontstaan waarbij de zandbank, waarop later het dorp Zeerijp zou ontstaan, de scheiding vormde tussen het land aan de zuidzijde en de toen nog open zee aan de noordzijde. Pas in de tweede helft van de 10e eeuw hebben de eerste bewoners zich op de oever van de Fivel op de enigszins verhoogde grond gevestigd. Omstreeks het jaar 1000 wordt er voor het eerst melding gemaakt van het dorp Zeerijp in een door monniken geschreven Latijns document. De plaats heeft toen ongetwijfeld een haven gehad en zeer waarschijnlijk een vuurtoren, mogelijk op de plaats waar nu de toren van de Jacobuskerk staat.

Iets ten westen van de toren, precies onder het schoolgebouwtje dat pas later aan de westkant van de Jacobuskerk is opgetrokken, is een volledig intact verlaat gevonden dat dateert uit de tweede helft van de 12e eeuw. Een door bakstenen gestutte gleuf dwars door de "zandbank" zorgde ervoor dat bij eb het overtollige zoete water via een klaphek automatisch naar zee werd geloosd, terwijl bij vloed het klaphek vanzelf de doorgang afsloot zodat er geen zout water het land in kon komen.

Erg lang heeft deze situatie niet voortbestaan, want reeds vóór het jaar 1200 is er al sprake van inpoldering van het gebied ten noorden van Zeerijp. De haven was langzamerhand overbodig geworden en het karakter van het dorp zal vanaf die tijd niet veel veranderd zijn, d.w.z. geheel en al op landbouwactiviteiten gericht.

Vóór 1170 heeft er al een zeer bescheiden kerkgebouw in Zeerijp gestaan. Resten van het toen gangbare tufsteen zijn bij de jongste restauratie in de jaren zestig van de vorige eeuw aan het licht gekomen. Nog vóór 1200 is het tufstenen kerkje vervangen door een bakstenen kerk, waarvan de omvang heel nauwkeurig kon worden vastgesteld, omdat de volledige vloer bij de opgraving kon worden blootgelegd. We moeten dan denken aan een dorpskerk te vergelijken met de grootte van de kerk van Eenum. Onze streken moeten, vooral door het uiterst vruchtbare nieuw gewonnen land, zeer welvarende tijden hebben gekend, gezien de drieste plannen om het bescheiden bakstenen dorpskerkje te vervangen door een enorm bouwwerk: de huidige Jacobuskerk. Maar niet alleen welvaart in brede zin stond aan de wieg van de nieuwe plannen. We gaan ervan uit dat verscheidene rijke boeren, die later hun erven wisten uit te breiden tot prachtige borgterreinen, hun financiële steentjes hebben bijgedragen. Helaas heeft ook een minder fraai verschijnsel een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van het nieuwe kerkgebouw. Er waren in de loop der tijden tot nog toe moeilijk te verklaren tegenstellingen ontstaan tussen de bewoners van Hunsingo en die van Fivelgo. Deze verschillen liepen nogal eens uit de hand en gewapenderwijs probeerde men door brandschatten en plunderingen het leven van de buren te vergallen. Bekend is de moord op een priester in de toenmalige kleine bakstenen kerk van Zeerijp. Dat gebeurde in 1227. Kennelijk zijn de gevoelens van onveiligheid in de loop van diezelfde eeuw alleen nog maar toegenomen, want tegen 1300 is besloten tot het bouwen van de huidige kerk, een waar verdedigingswerk bij uitstek met muren van maar liefst 1.35 meter breed en met enorme deuren die men van binnen met een stevige balk kon vergrendelen. Zo'n gebouw, vaak in Latijnse bronnen ook als "castellum" (= verdedigingswerk) aangeduid, moest in tijden van nood de veiligheid van alle bewoners van het dorp waarborgen.

Gelukkig zijn in de loop der eeuwen de gemoederen tot rust gekomen, en hoefden de oorspronkelijke steenhuizen, waar rijke (of mogen we al zeggen "steenrijke"?) lieden bij naderend gevaar zich veilig konden terugtrekken, niet langer te fungeren als bolwerken, maar konden zich ontwikkelen tot schitterende borgen.

Zo ook in en om Zeerijp, waar er maar liefst vier hebben gestaan: Bouckema van de fam. Ten Holte aan de Tolweg (waar nu de fam. Pier woont); Eelsum van de fam. Greving, nu Borgweg 20; Hayckema van de fam. Van Borck, nu Borgweg 2; en Juckema van de fam. Ripperda in de Groeve. Het hoeft geen betoog dat deze families een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het welzijn van het dorp Zeerijp. De vele rouwborden (te bedenken dat in de Jacobuskerk van Zeerijp meer rouwborden hangen dan in welke andere kerk in de provincie Groningen) getuigen van hun dadendrang en betekenis. Alleen al de bouw van het unieke en in orgelkringen wereldberoemde Faberorgel in de Jacobuskerk is een klinkend en welluidend bewijs van de invloed der borgheren, de sponsoren der 17e eeuw.

Interessant te vermelden dat toen de stad Groningen benarde tijden beleefde tijdens het beleg van Bommen Berend in 1672 een beroep is gedaan op de provincie om te helpen. Vanwege de altijd al gespannen verhoudingen tussen de stad en de omliggende contreien kwam deze hulp niet goed op gang. Om tenslotte de peperdure huurgeneraal Karl Rabenhaupt te kunnen betalen, heeft de stad Groningen toen alle borgen in de provincie een verplichte lening opgelegd. Men moest een som gelds afstaan afhankelijk van de inkomsten uit het land. De gegevens betreffende Zeerijp zijn tekenend voor de situatie in ons dorp van toen. Eelsum had al het land aan de zuidkant van de oorspronkelijke "zandbank". Deze borg hoefde niets te betalen. Kennelijk was de grond nog te zanderig. De borgen Bouckema en Hayckema, die de ene helft van hun land op het oude zuidelijk gelegen gedeelte hadden liggen en de andere helft op het kennelijk veel vruchtbaardere noordelijke gedeelte, moesten elk 500 marken betalen, terwijl de borg Juckema, die al het land in het nieuw ingepolderde gedeelte had liggen, zowaar het respectabele bedrag van 1000 marken werd opgelegd. De eerlijkheid gebiedt te vermelden dat na het nog steeds feestelijk gevierde ontzet van Groningen op 28 augustus 1672 al het geld netjes is terugbetaald. Rabenhaupt had immers niet echt in touw hoeven te komen.

Toen in 1595 de hele provincie Groningen officieel overging tot het nieuwe geloof - tot wat toen werd genoemd de Gereformeerde Kerk - veranderde ook het onderwijs. Kloosterscholen werden opgeheven en in hun plaats kwam de protestantse kerk als nieuwe leermeester. Bij veel kerken - zo ook bij de Jacobuskerk van Zeerijp - werd een ruimte aangebouwd die fungeerde als leslokaal. Hier werd de jeugd onderwezen door de koster die de allerjongste leerlingen het lezen moest bijbrengen plus het tellen van l tot 10. Dit was gratis. Pas later kregen de kinderen het vak rekenen, maar dit was helaas niet voor niets. De overigens bescheiden bijdrage die van de ouders werd gevraagd, was toch voor veel arme mensen kennelijk een onoverkomelijk bezwaar. Zodoende gingen veel kinderen al vroeg op het land werken zonder de school te hebben afgemaakt. Pas in de 18e eeuw is er een zelfstandig schoolgebouw gekomen, waar de koster nog steeds de scepter zwaaide. In 1867 ging de zorg voor het onderwijs over van de kerk naar de burgerlijke gemeente. Tegenover de kerk, achter de kosterswoning, verrees een nieuw schoolgebouw dat tot 1950 heeft dienstgedaan, toen er aan de Eenumerweg een nieuwe school in gebruik is genomen. Vanaf 1983 is de lagere school met de naam "De Wilgenstee" aan de kwekersweg gevestigd.

Behalve op de monumentale Jacobuskerk kan Zeerijp ook bogen op een prachtige molen, genaamd "De Leeuw". Deze molen, gebouwd in 1835, heeft eerst in Solwerd bij Appingedam gestaan. In 1865 is hij afgebroken en opnieuw in zijn geheel in Zeerijp opgebouwd. Het jaar 1865 dat op de molen te lezen staat, duidt derhalve het jaar aan waarin de toen reeds 30-jarige molen in ons dorp is geplaatst. Zeerijp verkeert in de gelukkige omstandigheid dat de molen nog steeds, door zeer gewaardeerde vrijwilligers, draaiende wordt gehouden.

In de loop der vorige eeuwen is er in Zeerijp als agrarisch dorp niet bijster veel veranderd, behalve het gestadig verdwijnen van de prachtige borgen. Reeds in de 18e eeuw zijn ze geveild, verkocht op afbraak of vanzelf tot bouwval verworden en tenslotte gesloopt. Aanwijsbare resten zijn uiterst summier. Met recht vergane glorie.

Het inwoneraantal van het dorp Zeerijp heeft pas in de 19e en 20e eeuw nogal wat schommelingen ondergaan. In tijden van crisis en economische malaise zijn vele Riepsters geëmigreerd naar o.a. Canada, Noord- en Zuid-Amerika en Australië. Zo is na de desastreuze Aardappelziekte in de jaren 1845 en 1846 een uitgebreide emigratie op gang gekomen, voornamelijk naar Noord-Amerika (Michigan). Ook in de negentiger jaren van diezelfde eeuw vertrokken talloze gezinnen niet alleen naar Noord-Amerika, maar ook naar Argentinië. Tijdens de crisisjaren van 1929 tot ca. 1936 probeerden velen elders - zo mogelijk verweg - een nieuw bestaan op te bouwen, hetgeen wederom gebeurde in de vijftiger jaren, de moeilijke periode van herstel na de Tweede Wereldoorlog. Vooral Canada en Australië waren toen erg in trek.

Van de ontwikkeling van een gesloten dorpsleven op het Groninger platteland naar een open en vrij toegankelijke woongemeenschap kan ook het dorp Zeerijp getuigen. Een bloeiende middenstand voorzag rond 1900 de ca. 650 inwoners ter plekke in practisch alle behoeften. Van de bonte hoeveelheid aan beroepen, in die tijd in Zeerijp uitgevoerd, noemen we o.a.: l molenaar; 2 smeden; 6 winkeliers (levensmiddelen); l slager; l handelaar in granen; l rietdekker; l boomkweker; 4 kleermakers en nota bene 6 kappers. Wat er binnen een tijdbestek van nog geen honderd jaren is overgebleven van al deze voorzieningen, moge inmiddels duidelijk zijn. Het dorp telt nu inwoners. Het kan bogen op de aanwezigheid van l goud- en zilversmid, en recentelijk van l diervoederhandelaar.